Rb. Den Haag 23 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3181

Intrekking verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht met oplegging van een inreisverbod voor tien jaren. Eiser vormt volgens verweerder een gevaar voor de openbare orde. Eiser kon geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen aan een brief van verweerder dat van een eerder voornemen tot intrekking werd afgezien. In de brief wordt namelijk gesproken over toekomstige veroordelingen vanwege het plegen van een misdrijf en niet over het toekomstig plegen van strafbare feiten. Eisers asielvergunning is destijds verleend op grond van het toenmalige categoriaal beschermingsbeleid, zodat verweerder in het kader van de intrekking niet heeft hoeven te toetsen aan het Unierechtelijk openbare-ordecriterium. Verweerder heeft verder in het kader van artikel 8 EVRM een individuele beoordeling gemaakt en daarbij niet ten onrechte de belangenafweging in het nadeel van eiser laten uitvallen, zodat ook geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Verweerder stelt verder terecht dat sprake is van een ernstig misdrijf, zodat eiser op basis van de huidige situatie in Irak niet in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. Verweerder heeft bij het opleggen van het inreisverbod ook niet ten onrechte geoordeeld dat eiser een actueel en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt. Dat er op grond van artikel 3 EVRM een beletsel bestaat om eiser naar Irak uit te zetten betekent niet dat verweerder geen inreisverbod kon opleggen, zo blijkt uit het arrest Westerwaldkreis. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken