Rb. Den Haag 16 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2508

Verweerder heeft Spanje verantwoordelijk gehouden voor de asielaanvraag op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. De rechtbank is van oordeel dat dit niet de juiste grondslag was omdat er geen sprake meer was van een geldig visum zoals bedoeld in dat artikel. Er is dus sprake van een zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening ook een deugdelijke grondslag is voor een claimverzoek aan de Spaanse autoriteiten. Eiser is namelijk met een geldig Schengenvisum vanuit Spanje de EU binnengekomen en is vervolgens via België naar Nederland gereisd. Eiser wilde doorreizen naar het VK, maar dat is hem niet gelukt omdat zijn paspoort was meegenomen door de reisagent. Eiser is wel door de grenscontrole op luchthaven Schiphol gekomen en hij heeft de internationale lounge van luchthaven Schiphol bereikt. De rechtbank is, onder verwijzing naar het arrest El Dakkak van oordeel dat eiser zich op dat moment nog steeds op het geografisch grondgebied van de EU bevond en zodoende het EU-grondgebied niet had verlaten. Daarbij is van belang dat de uitreisstempel niet maakt dat eiser het EU-grondgebied heeft verlaten. Uit het arrest J., C. en H. volgt namelijk dat een uitreisstempel enkel de vaststelling is dat aan de voorwaarden wordt voldaan om uit te reizen en dat diegene binnen een korte tijd zal uitreizen. Het beroep is daarom ongegrond

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken