Rb. Den Haag 10 februari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:1917

In geschil is of de verkrijging van 261 zendmasten vrijgesteld is van overdrachtsbelasting op grond van de splitsingsvrijstelling zoals bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de WBR. De zendmasten (inclusief rechten, verplichtingen en contracten) zijn afgesplitst naar vier nieuw opgerichte dochtervennootschappen. Op dezelfde dag als de afsplitsing zijn de aandelen in deze dochtervennootschappen vervreemd aan eiseres, die op dat moment niet met de voormalige moedervennootschap of dochtervennootschappen verbonden was als bedoeld in artikel 10a van de Wet Vpb 1969. De splitsing wordt daarom geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, tenzij eiseres aannemelijk maakt dat aan de afsplitsing zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 januari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:17) en de daaraan voorafgaande conclusie van de Advocaat-Generaal van 3 november 2021 (ECLI:NL:PHR:2021:1037), moet voor de toepassing van de splitsingsvrijstelling zowel het doel als de vormgeving van de splitsing overwegend door zakelijke overwegingen zijn ingegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat aan de gekozen vormgeving zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Ten aanzien van de maatstaf van heffing overweegt de rechtbank dat de door eiseres genoemde goodwill, (contractuele) relaties en bijzondere afspraken een zaaksgebonden karakter hebben die een waardevermeerderende invloed uitoefenen op de masten en slechts tezamen met de masten overdraagbaar zijn. De maatstaf van heffing is niet te hoog vastgesteld en de naheffingsaanslag is terecht opgelegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken