Rb. Den Haag 21 juli 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:9335

Eiser en zijn echtgenote zijn als zorgondernemers verbonden aan een kleinschalige woonvorm voor volwassenen met een verstandelijke beperking, het zogeheten Thomashuis. Eiser en zijn echtgenote zijn contractueel verplicht om in het Thomashuis te wonen en zijn 24 uur per dag en 7 dagen per week oproepbaar. Eiser en zijn echtgenote beschikken in het Thomashuis over een privégedeelte. In geschil is of de aftrekbeperking van huurkosten ingevolge artikel 3.16, dertiende lid, van de Wet IB 2001 van toepassing is op de woonsituatie van eiser en zijn echtgenote. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Vast staat dat eiser en zijn echtgenote het Thomashuis huren en dat dit huurrecht tot hun ondernemingsvermogen behoort. Dit betekent dat artikel 3.16, dertiende lid, van de Wet IB 2001 op hun woonsituatie van toepassing is. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet dat de wetgever bij de invoering van artikel 3.16, dertiende lid, van de Wet IB 2001 een uitzondering heeft gemaakt voor zorgondernemers zoals eiser. Tussen partijen is niet in geschil dat de aftrekbeperking maximaal 34,45% bedraagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de aftrekbeperking lager zou moeten zijn dan 34,45%.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken