Rb. Den Haag 21 juli 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:9334
Eiseres en haar echtgenoot zijn als zorgondernemers verbonden aan een kleinschalige woonvorm voor volwassenen met een verstandelijke beperking, het zogeheten Thomashuis. Eiseres en haar echtgenoot zijn contractueel verplicht om in het Thomashuis te wonen en zijn 24 uur per dag en 7 dagen per week oproepbaar. Eiseres en haar echtgenoot beschikken in het Thomashuis over een privégedeelte. In geschil is of de aftrekbeperking van huurkosten ingevolge artikel 3.16, dertiende lid, van de Wet IB 2001 van toepassing is op de woonsituatie van eiseres en haar echtgenoot. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Vast staat dat eiseres en haar echtgenoot het Thomashuis huren en dat dit huurrecht tot hun ondernemingsvermogen behoort. Dit betekent dat artikel 3.16, dertiende lid, van de Wet IB 2001 op hun woonsituatie van toepassing is. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet dat de wetgever bij de invoering van artikel 3.16, dertiende lid, van de Wet IB 2001 een uitzondering heeft gemaakt voor zorgondernemers zoals eiseres. Tussen partijen is niet in geschil dat de aftrekbeperking maximaal 34,45% bedraagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de aftrekbeperking lager zou moeten zijn dan 34,45%.
De uitspraak op rechtspraak.nl