Rb. Den Haag 2 augustus 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:8509
Asiel. Eerste aanvraag. Turkije. Artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag. Inreisverbod. Eiser heeft in Turkije van 1987 tot 2014 voor de politie gewerkt. Van 1990 tot 2010 was hij in verschillende functies werkzaam voor de inlichtingendienst van de Turkse politie (de IDB). Volgens verweerder kan eiser in verband worden gebracht met het faciliteren van marteling/foltering en zware mishandeling in de periode van 1991-1996, waardoor artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op dit standpunt heeft gesteld. Hoewel partijen van mening verschillen over de exacte rol die eiser heeft gespeeld, bieden de eigen verklaringen van eiser voldoende grond voor deze conclusie. Verweerder stelt zich ook niet ten onrechte op het standpunt dat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Weliswaar is sprake van tijdsverloop en van een mogelijke gedragsverandering, maar deze wegen niet op tegen de ernst van de gepleegde misdrijven waar eiser mee in verband wordt gebracht en de omstandigheid dat eiser geen openheid van zaken geeft over zijn precieze rol. Ook betrekt verweerder niet ten onrechte dat er mogelijk mensen in Nederland verblijven die slachtoffer zijn geweest van de misdrijven en dat moet worden voorkomen dat zij met de aanwezigheid van eiser in Nederland worden geconfronteerd. Daarbij is van belang dat eiser een bekende hoge politiefunctionaris en vertegenwoordiger van de Turkse overheid in Oost-Turkije is geweest.
De uitspraak op rechtspraak.nl