Rb. Den Haag 8 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5860
Bij besluit van 12 maart 2020 heeft verweerder de aanvraag van eiseres (Surinaamse nationaliteit) tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 afgewezen omdat eiseres niet zou voldoen aan de criteria die zijn neergelegd in het arrest Chavez-Vilchez van het Hof. Tevens heeft verweerder op 12 maart 2020 een zwaar inreisverbod opgelegd (10 jaar). Verweerder stelt dat niet is gebleken is dat eiseres daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht voor haar zoon en dat geen sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat haar zoon gedwongen zou worden het grondgebied van de EU te verlaten, indien eiseres het gevraagde verblijfsrecht geweigerd zou worden. Eiseres zit sinds januari 2019 in de gevangenis en is veroordeeld tot een celstraf van 36 maanden. De daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken liggen sindsdien bij de stichting NIDOS. De rechtbank is van oordeel dat verweerder actief en zo nodig door middel van inschakeling van een deskundige gehouden was onderzoek te verrichten na de informatie die eiseres heeft aangeleverd waaruit blijkt dat er bij eiseres meer dan marginale betrokkenheid is bij de opvoeding van haar zoon. De rechtbank oordeelt voorts dat verweerder gehouden is de belangen van het kind voorop te stellen (artikel 3 IVRK). De rechtbank overweegt in dit kader dat verweerder niet heeft onderzocht of de zoon van eiseres terecht zou kunnen bij zijn erkende (niet-biologische) vader. Dit had zeker op de weg van verweerder gelegen nu deze vader niet meer in beeld is. Tot slot stelt de rechtbank vast dat verweerder bij het opleggen van het inreisverbod had moeten beoordelen of eiseres een werkelijk, actueel en voldoende ernstig gevaar voor de openbare vormt, waarbij tevens de belangen en grondrechten van de zoon moeten zijn betrokken. Het beroep tegen de afwijzing van het vaststellen van het verblijfsrecht en het beroep gericht tegen het inreisverbod zijn gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl