Rb. Den Haag 3 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5664
Beroep gegrond. Opvolgende aanvraag. Eiser is een Palestijnse vluchteling die hele leven lang heeft verbleven in het vluchtelingenkamp in Ain Al Helwa in Libanon. In de kern ligt de rechtsvraag voor of eiser aan zijn opvolgende aanvraag nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd die relevant zijn voor de beoordeling van die aanvraag. Artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Arresten El Kott van 19 december 2012 en XT van 13 januari 2021. Uit overwegingen in El Kott volgt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie de vraag heeft beantwoord wanneer sprake is van een situatie waarin de bescherming of bijstand van UNRWA om welke redenen dan ook is opgehouden. Uit het arrest volgt dat deze situatie allereerst kan optreden indien sprake is van de opheffing van het orgaan dat de bescherming of de bijstand verleent, dan wel sprake is van een situatie waarin het desbetreffende orgaan in de onmogelijkheid verkeert zijn opdracht te volbrengen. De rechtbank maakt uit El Kott op dat ex nunc moet worden beoordeeld of deze omstandigheid zich voordoet. Een andere reden voor het ophouden van de bescherming of bijstand is volgens het Hof van Justitie de situatie waarbij sprake is van omstandigheden buiten de wil van de betrokken persoon, die hem ertoe gedwongen hebben het gebied waarin UNRWA werkzaam is, te verlaten. Of deze omstandigheid zich voordoet dient ex tunc te worden beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat uit de door partijen ingebrachte algemene informatie, waaronder het Thematisch ambtsbericht en de brief van Vluchtelingenwerk Nederland, ten opzichte van het eerdere afwijzende besluit, een wezenlijke verslechtering blijkt van de situatie voor Palestijnse staatloze in Libanon en in het bijzonder in het Ail Al Helwa kamp.
De uitspraak op rechtspraak.nl