Rb. Den Haag 27 januari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:549
Eiser is in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw 2000) en voert aan dat in het Detentiecentrum Rotterdam (DRC) geen sprae is van een strikte scheiding tussen in bewaring gestelde vreemdelingen en strafrechtelijke gedetineerden, zodat dit geen speciale inrichting voor bewaring is zoals in artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn (Tri). De gemachtigde van eiser geeft op zitting te kennen dat hij dit enkel vermoedt en dat hij dit niet kan bevestigen uit eigen waarneming of met voldoende concrete bewijsmiddelen onderbouwen. Voor het verzoek om een onderzoek ter plaatse in te stellen ex artikel 8:50, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ziet de rechtbank geen aanleiding. Dat geen sprake is van een redelijk zicht op uitzetting vanwege de coronapandemie en/of de lockdown in land van herkomst is niet in strijd met artikel 5, eerste lid, sub f van het Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM), aangezien geen sprake is van actief en volledig meewerken door eiser zoals in beginsel vereist gelet op vaste Afdelingsjurisprudentie (zie de uitspraken van de Afdeling van 22 februari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV3295 en 23 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI3894). De Afdeling heeft in onder meer de uitspraken van 29 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1141) en 20 mei 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1238) geoordeeld dat de coronacrisis een tijdelijke belemmering is. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen dan de Afdeling heeft gedaan. In wat eiser verder aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting uit Nederland. Het is volgens vaste rechtspraak aan de regievoerder om te bepalen welke uitzettingshandelingen noodzakelijk zijn en dus om te bepalen of op andere wijze moet worden gerappelleerd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder meer of andere uitzettingshandelingen had dienen te verrichten. De stelling van eiser dat hij zijn zwangere vriendin in Spanje niet kan bezoeken door de maatregel van bewaring en het om die reden in strijd is met artikel 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind is niet onderbouwd en slaagt daarom al niet.
De uitspraak op rechtspraak.nl