Rb. Den Haag 15 april 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:4342
Zorgverzekeringswet. Buitenlandbijdrage. Samengevat oordeelt de rechtbank dat nu eiser verdragsgerechtigd was, zoals bedoeld in artikel 24 van de Vo 883/2004, en dat verweerder op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zvw bevoegd was van eiser een bijdrage te heffen. Niet gebleken is van feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerder in eisers geval niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. Dit betekent dat de rechtbank evenmin aanleiding ziet tot het stellen van pre judiciële vragen aan het HvJ, zoals door eiser ter zitting verzocht.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CRvB 2 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2060
- Rb. Den Haag 22 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:3352
- CRvB 8 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4712
- CRvB 13 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2842
- CRvB 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1784
- CRvB 13 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7125
- CRvB 13 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7126
- CRvB 15 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1934
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2003:513
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2010:610