Rb. Den Haag 22 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:3941

Eiser heeft op 3 juni 2017 asiel aangevraagd. Hij was toen zestien jaar, twee maanden en 17 dagen oud. Verweerder heeft het relaas van eiser van aanvang af integraal geloofwaardig geacht. In rechte staat vast dat eiser van zijn 8e tot en met zijn 15e levensjaar stelselmatig is onderworpen aan handelingen die in strijd zijn met artikel 3 EVRM. In rechte staat ook vast dat de martelingen en de lichamelijke en geestelijke mishandelingen die eiser in huiselijk kring heeft moeten ondergaan moeten worden gekwalificeerd als ernstige schade in de zin van artikel 15b van de Kwalificatierichtlijn en artikel 29 eerste lid onder b, van de Vreemdelingewet op grond waarvan in beginsel een aanspraak bestaat op subsidiaire bescherming. Verweerder erkent dit in het verweerschrift en ter zitting maar stelt zich op het standpunt dat door de inmiddels bereikte meerderjarigheid niet tot vergunningverlening hoeft te worden overgegaan. De rechtbank willigt het verzoek om zelf te voorzien in zoals reeds toegezegd en toegelicht ter zitting. De rechtbank acht zich genoodzaakt om uitvoerig te motiveren waarom de rechtbank niet alleen bevoegd maar ook gehouden is om dit geschil finaal te beslechten. In de nagenoeg 45,5 maand die zijn verstreken tussen de datum van de asielaanvraag en de datum van de onderhavig uitspraak is driemaal een voornemen uitgebracht, driemaal een besluit genomen en nog eenmaal op grond van een tussenuitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Utrecht, een aanvullende motivering gegeven. Alle stappen in de beoordeling van het verzoek om bescherming hadden in het eerste besluit van 27 september 2017 gezet kunnen en ook gezet moeten worden. Eiser heeft alle argumenten waarom hij voor verblijfsaanvaarding in aanmerking moet worden gebracht reeds in de (eerste) zienswijze van 26 september 2017 aangedragen en onderbouwd. Verweerder heeft er voor gekozen om steeds maar deels in te gaan op deze argumenten en daarmee belet dat aanstonds de asielaanvraag van eiser in volle omvang is beoordeeld. Het gevolg van deze keuze is een onverantwoord en onaanvaardbaar tijdsverloop in de procedure die ziet op een eerste asielaanvraag van een zwaar getraumatiseerde 16-jarige jongen. Op grond van de Awb is de rechter niet alleen verplicht maar ook bevoegd om het voorgelegde geschil zoveel mogelijk finaal te beslechten. Deze bevoegdheid om te bepalen dat een uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit komt óók toe aan de vreemdelingenrechter in eerste aanleg. De rechtbank overweegt dat om een doeltreffende voorziening in rechte te waarborgen er in deze procedure een Unierechtelijke verplichting voor de rechtbank bestaat om zelf te voorzien in de zaak. De rechtbank ziet dan ook geen enkele reden om verweerder nog een keer zelf te laten beslissen. De rechtbank acht elk verder tijdsverloop schadelijk voor de ontwikkeling en het welbevinden van eiser en bepaalt dat deze uitspraak in plaats treedt van het bestreden besluit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken