Rb. Den Haag 6 februari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:866

Kort geding n.a.v. afwijzing door minister van vijfde gratieverzoek levenslang gestrafte. De voorzieningenrechter stelt vast dat de motivering van de beslissing van de minister innerlijk tegenstrijdig is. De afwijzing is gebaseerd op een belangenafweging, waarbij de minister de belangen van de maatschappij en de slachtoffers/nabestaanden het zwaarst weegt. Dit valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet te rijmen met de erkenning van de minister in dezelfde beslissing dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Daaronder valt immers ook het doel van vergelding. De beslissing op de vorderingen betreffende de herroeping van het vierde (en beslissing op het vijfde) gratieverzoek wordt echter aangehouden. Daarvoor is namelijk ook van belang wat de uitkomst zal zijn van twee nog lopende procedures tussen partijen bij de Hoge Raad en bij het Gerechtshof Den Haag. Er wordt wel beslist op de vorderingen betreffende het toezicht dat de kliniek uitoefent in het kader van het transmuraal verlof van eiser. De voorzieningenrechter veroordeelt de Staat om het daarheen te leiden dat de verplichtingen waaraan eiser in het kader van het transmuraal verlof wordt onderworpen worden verminderd. Het niveau van de beperkingen moet in overeenstemming worden gebracht met hetgeen in het vonnis is overwogen over de (voltooide) behandeling van Yilmaz en de erkenning van de minister dat met de voortzetting van de straf geen strafdoel meer wordt gediend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen