Rb. Den Haag 18 januari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:807

In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131) is dit uitgangspunt bevestigd. Anders dan kennelijk de Afdeling is de rechtbank echter van oordeel dat verweerder niet onkundig kan zijn van gebreken in de naleving van het gemeenschappelijke Europese asielstelsel (GEAS) door Italië. Dit is onder meer vastgesteld in het Tarakhel-arrest (EHRM 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217, www.echr.coe.int). Verweerder heeft desgevraagd niet gesteld dat de situatie in Italië sinds het wijzen van dat arrest in positieve zin is veranderd. In de uitspraak van haar meervoudige kamer van 11 december 2018, nr. NL18.17455, ECLI:NL:RBDHA:2018:14649, heeft de rechtbank overwogen dat mede uit open bronnen blijkt van nog andere gebreken dan waarvan het EHRM blijkens het Tarakhel arrest kon uitgaan. Dat brengt mee dat niet zonder meer ervan kan worden uitgegaan dat Italië de internationale verplichtingen volledig nakomt. Als uit de aangehaalde uitspraak van de Afdeling moet worden geconcludeerd dat het interstatelijke vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië nog of weer onverkort opgeld doet, is die uitspraak in strijd met hogere jurisprudentie en dient de rechtbank die hogere jurisprudentie te volgen. Voor de gevolgen van het feit dat het interstatelijke vertrouwensbeginsel niet zonder nadere onderbouwing aan een overdrachtsbesluit als het onderhavige ten grondslag kan worden gelegd, verwijst de rechtbank naar de overwegingen 4.3 en 4.4 van haar uitspraak van 11 december 2018.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken