Rb. Den Haag 6 mei 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:4782

Nareis asiel van (gestelde) minderjarige zoon en echtgenote met dwangsombesluit. Verweerder stelt zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt dat eiseres, met het overleggen van haar Soedanese vluchtelingenkaart en kopieën van twee UNHCR-documenten, geen substantieel indicatief bewijs heeft overgelegd ter onderbouwing van haar identiteit. In het kader van het aanbieden van DNA-onderzoek aan de minderjarige zoon is daarnaast niet gebleken van een gerechtvaardigde reden voor het onderscheid tussen de situatie waarin de achterblijvende ouder zelf niet nareist en de situatie waarin de achterblijvende ouder zelf wel nareist, maar haar identiteit niet heeft gestaafd. Beroep is gegrond. Ten aanzien van het dwangsombesluit stelt verweerder zich onterecht op het standpunt dat de ingebrekestelling onredelijk laat is ingediend. De ingebrekestelling is ruim vijf en een halve maand na het verstrijken van de beslistermijn ingediend. Gelet op de wetsgeschiedenis (artikelen 4:17, zesde lid, en 6:12, derde lid, van de Awb), jurisprudentie, de algemeen bekende omstandigheid dat verweerder een grote achterstand heeft bij het behandelen van nareiszaken en de nadere toelichting van eiseres, kan eiseres niet worden verweten dat zij ook na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn bleef afwachten tot verweerder aan zijn wettelijke verplichting om een besluit te nemen zou voldoen. Verweerder is daarom een wettelijke dwangsom verschuldigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken