Rb. Den Haag 3 mei 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:4649
vovo; afwijzing verblijfsvergunning voor studie op grond van openbare orde-aspecten Het uitgangspunt, dat het aan de vreemdeling is om aan te tonen dat een strafmaatvergelijking niet juist of niet volledig is in het geval de strafmaatvergelijking is gebaseerd op een veroordeling, acht de voorzieningenrechter op zichzelf niet onjuist. In een geval als het onderhavige echter, waarin slechts een grove schatting gegeven kan worden van de strafmaat, kan dit uitgangspunt niet zonder meer worden gevolgd. Dit geldt temeer nu aannemelijk is dat verzoeker deze onduidelijkheid niet kan worden verweten, omdat hij alle stukken heeft overgelegd die er zijn. Ook de stelling van verweerder dat sprake is van een handelsindicatie, is gebaseerd op de hoeveelheid aangetroffen drugs. Als onduidelijk blijft hoeveel drugs zijn aangetroffen, kan verweerder dit niet zonder meer in het nadeel van verzoeker bij de beoordeling betrekken. Verweerder heeft verder de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende betrokken bij de afweging van de belangen die in het kader van artikel 3.77, eerste lid, Vb moet worden gemaakt. De voorzieningenrechter acht het niet uitgesloten dat de afwijzing in bezwaar geen stand houdt. Bij die stand van zaken weegt het belang van verzoeker om in Nederland de behandeling van het bezwaar af te kunnen wachten en tijdens die procedure zijn studie kan voortzetten, zwaarder dan het belang van verweerder om verzoeker al voor de beslissing op bezwaar uit te kunnen zetten. Een bijzonder belang om de uitzetting op korte termijn te realiseren, heeft verweerder ook niet gesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl