Rb. Den Haag 14 januari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:458

Afghanistan, Ghazni, Hazara’s, 15c Eisers voeren, onder verwijzing naar recente rapporten en berichten, aan dat de situatie in Afghanistan, meer specifiek voor de situatie van ontheemden/terugkeerders en Hazara’s, is verslechterd sinds de vorige procedure. Ter beoordeling staat of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de veiligheidssituatie in de provincie Ghazni inmiddels zodanig ernstig is, dat eisers gegronde redenen hebben om aan te nemen dat zij en hun kinderen bij uitzetting een reëel risico lopen op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw. De rechtbank is van oordeel dat uit de door eisers ingeroepen recente informatie in ieder geval blijkt dat de Taliban thans de volledige controle hebben over een aantal districten van Ghazni, waaronder het herkomstgebied van eisers, en gerichte aanvallen doen op Hazara’s. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de Taliban het herkomstgebied van eisers onder hun controle hebben. Deze erkenning ten spijt heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, ontoereikend gemotiveerd dat in Ghazni geen sprake is van een zodanige mate van geweld dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat eisers, gelet op het feit dat zij Hazara zijn, gegronde redenen hebben om aan te nemen dat zij bij terugkeer naar Ghazni een reëel risico lopen op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Daarbij is van belang dat, zoals blijkt uit het arrest Elgafaji en het beleid van verweerder, de individuele factoren of persoonlijke omstandigheden moeten worden afgezet tegen de algemene veiligheidssituatie in het betreffende land en het geweld tegen de burgerbevolking.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken