Rb. Den Haag 3 december 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:13776

Internationale kinderontvoering. De rechtbank komt tot de conclusie dat de overbrenging van de minderjarige van Spanje naar Nederland ongeoorloofd is, nu niet is komen vast te staan dat de moeder toestemming heeft gegeven voor of heeft berust in het verblijf van de minderjarige in Nederland van langer dan één maand. Het beroep van de vader op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub a slaagt niet. De vader heeft naar het oordeel van de rechtbank niet dan wel onvoldoende aangetoond dat de moeder op enig moment heeft ingestemd of berust met een permanent verblijf van de minderjarige in Nederland. Het beroep van de vader op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b slaagt evenmin. De bestaande zorgen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig dat de minderjarige bij terugkeer wordt blootgesteld aan lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel dat de minderjarige op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. De bestaande zorgen over de minderjarige waren al ruim voor haar vertrek naar Nederland in beeld bij de Spaanse autoriteiten en er was, en is, intensieve bemoeienis van verschillende zorg- en hulpverleningsinstanties in Spanje. Het uitgangspunt van het Verdrag is dat het kind terug moet naar het land van de gewone verblijfplaats en dat daar de juiste maatregelen genomen behoren te worden. Er zijn meerdere zorg- en hulpverleningsinstanties in Spanje betrokken bij de moeder en de minderjarige en de rechtbank gaat ervan uit dat de hulpverlening in Spanje opgepakt zal worden zodra de minderjarige terug is in Spanje. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van de weigeringsgrond zoals genoemd in artikel 20 van het Verdrag. De rechtbank gelast de terugkeer van de minderjarige naar Spanje. De proceskosten worden gecompenseerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken