Rb. Den Haag 31 oktober 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:12874

‘De resultaten op valutatermijncontracten die eiseres is aangegaan in verband met een vordering van haar op een met haar gevoegde dochtervennootschap, dienen te worden toegerekend aan eiseres zelf en niet aan de vaste inrichting van de gevoegde dochtervennootschap aan wie de dochtervennootschap ze heeft toegerekend. De resultaten vormen dus geen onderdeel van de buitenlandse winst uit een andere mogendheid die is vrijgesteld op grond van het bepaalde in het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Voor zover de rentelasten op de schuld van de gevoegde dochtervennootschap ten laste van de buitenlandse belastbare grondslag van de vaste inrichting zijn gekomen, dient bij de bepaling van de omvang van de voorkomingswinst van de fiscale eenheid de vrijgestelde winst uit de vaste inrichtring op grond van artikel 15ac, lid 5, Wet Vpb te worden verminderd met deze aan de vaste inrichting toegerekende rentelasten.’

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen