Hof Den Haag 27 oktober 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2143

Artikelen 15 Vpb en 15ac, lid 5 en lid 6, Vpb (tekst vóór 2018) Valutawinst van ruim € 59 miljoen op valutatermijncontracten kan niet (ingevolge het ‘significant people functions’-criterium) worden toegerekend aan de buitenlandse vaste inrichting van een in een fiscale eenheid gevoegde dochtermaatschappij van belanghebbende. De valutatermijncontracten hangen namelijk onlosmakelijk samen met een vordering van belanghebbende op haar dochtermaatschappij. Die vordering behoort volgens de enkelvoudige balans tot het vermogen van belanghebbende en kan evenmin worden toegerekend aan de vaste inrichting. Het beroep op het vertrouwensbeginsel naar aanleiding van het Besluit Winsttoerekening Vaste Inrichtingen faalt. Voorts moet de aftrekwinst ex art. 15ac, lid 5, Vpb worden verminderd met de aan de vaste inrichting toegerekende rentelasten op de schuld aan belanghebbende voor zover deze in het buitenland feitelijk in aftrek is toegelaten. Daaraan staat art. 10a Vpb niet in de weg en aan de tegenbewijsregeling van art. 15ac, lid 6, Vpb is niet voldaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken