Rb. Den Haag 26 november 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:12849
Verweerder heeft de aanvragen van eiser, eiseres en hun kinderen afgewezen. Eisers zijn het hier niet mee eens. In deze zaak gaat het om de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat Marokko voor eiser als veilig derde land kan gelden. Ook gaat het om de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat Marokko voor de kinderen kan gelden als veilig land van herkomst. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt stelt dat toegang tot Marokko voor eiser in beginsel mogelijk is. De vraag of eiser aanspraak kan maken op legaal (regulier) verblijf is hierbij niet van belang. Verweerder heeft in het bestreden besluit dat ziet op eiser onvoldoende onderbouwd waarom Marokko kan worden beschouwd als veilig derde land. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden in stand gelaten, omdat verweerder in zijn verweerschrift alsnog de vereiste motivering heeft gegeven. Marokko kan voor de kinderen niet gelden als veilig land van herkomst. Zij bezitten namelijk niet de Marokkaanse nationaliteit en het is ook niet gebleken dat zij hun gewone verblijfsplaats in Marokko hebben gehad. De aanvraag is dus ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit dat ziet op de kinderen en moet verweerder een nieuw besluit nemen.
De uitspraak op rechtspraak.nl