Rb. Den Haag 25 september 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:10773
Op 28 november 2017 heeft de IND het Nederlanderschap van eiseres ingetrokken omdat er ernstige vermoedens bestaan dat eiseres betrokken is geweest bij de genocide in 1994 in Rwanda en zij dit bij verlening van het Nederlanderschap heeft verzwegen. De rechtbank heeft het beroep van eiseres ongegrond verklaard. Dit betekent dat het besluit om het Nederlanderschap in te trekken in stand blijft. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het besluit heeft kunnen baseren op het individueel ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken. Uit dit ambtsbericht blijkt dat eiseres bijeenkomsten organiseerde waar de genocide werd voorbereid. De rechtbank is van oordeel dat het ambtsbericht zorgvuldig tot stand is gekomen en de inhoud de conclusie rechtvaardigt dat er ernstige vermoedens bestaan dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan 1(F)-misdrijven. Het rapport van Buro KleurKlacht en de getuigenverklaring(en) die door eiseres zijn ingebracht, bevatten geen concrete aanknopingspunten om aan de totstandkoming en inhoud van het ambtsbericht te twijfelen. Verder is de rechtbank van oordeel dat de verdedigingsmogelijkheden van eiseres niet onredelijk zijn beperkt. De door eiseres ingediende stukken zijn in beginsel geschikt om twijfel te zaaien over de inhoud van het ambtsbericht. Dat de identiteit van de bronnen in het ambtsbericht geheim zijn gehouden voor eiseres is een gerechtvaardigde beperking en afdoende gecompenseerd doordat de rechtbank kennis heeft genomen van deze informatie.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2146
- ABRvS 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:89
- ABRvS 29 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2171
- ABRvS 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:89
- EHRM 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212
- ABRvS 23 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2382
- ABRvS 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9947
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2010:104