Rb. Den Haag 3 oktober 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:10513

De kantonrechter weigert om een machtiging te verlenen aan de beschermingsbewindvoerder die tevens beroepsmatig rechtsbijstand voor zijn cliënt wil verlenen en in dat kader aanspraak wil maken op een proceskostenvergoeding in een bestuursrechtelijke bezwaarprocedure. De beschermingsbewindvoerder is zelf de formele procespartij en kan niet gelijkgesteld worden met een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Indien de beschermingsbewindvoerder een proceskostenvergoeding zou ontvangen, zou hij bovendien handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, aanhef en sub d, en derde lid van het Besluit kwaliteitseisen CBM, omdat hij een ander voordeel geniet uit zijn positie als bewindvoerder. De bewindvoerder die niet (langer) voldoet aan het Besluit kwaliteitseisen CBM is niet (meer) benoembaar als bewindvoerder en kan ontslagen worden (artikel 1:435, zevende lid, juncto artikel 1:448, tweede lid, BW). De bewindvoerder die extra werkzaamheden moet verrichten in het kader van een bezwaarprocedure zou de kantonrechter wel wegens uitzonderlijke omstandigheden kunnen verzoeken om de beloning van de bewindvoerder op andere wijze vast te stellen (artikel 3, zesde lid, Regeling beloning CBM).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken