Rb. Den Haag 18 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:9666
bewaring, eerste beroep, staandehouding Dublinclaimant artikel 50 onrechtmatig, belangenafweging in voordeel van eisers, zitting naar voren gehaald, overdrachtstermijn op korte termijn verstreken art 59a Vw, art 50 Vw Verweerder heeft ook erkend dat de staandehouding op grond van artikel 50 van de Vw onrechtmatig is geweest, zodat dit tussen partijen niet in geschil is. De onrechtmatigheid van de staandehouding maakt de daaropvolgende inbewaringstelling pas onrechtmatig indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. In het feit dat willens en wetens door verweerder gebruik is gemaakt van een onrechtmatig middel ziet de rechtbank geen reden om de belangenafweging achterwege te laten, zoals eisers hebben betoogd. Nu verweerder terugvalt op een handelwijze waarvan hij al ruim anderhalf jaar weet dat deze onrechtmatig is en waarbij hij sinds 17 oktober 2017 weet dat hij rekening moet houden met een strengere belangenafweging, kan echter niet snel worden geoordeeld dat de belangenafweging in het voordeel van verweerder uit zal vallen. Verweerder heeft belangen gesteld, namelijk dat de overdrachtstermijn verstrijkt op 26 juli 2018. De enkele omstandigheid dat de uiterste overdrachtsdatum op korte termijn verstrijkt, dat er al een vlucht is geboekt en dat eisers een (spoed)verzoek om voorlopige voorziening hebben ingediend, is gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, na ruim anderhalf jaar onvoldoende zwaarwegend. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het tijdsverloop tussen het claimakkoord op 26 januari 2018 en het nemen van het besluit op 8 mei 2018 voor rekening van verweerder moet blijven. De rechtbank is daarom van oordeel dat de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.
De uitspraak op rechtspraak.nl