Rb. Den Haag 17 oktober 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:11966
Trefwoorden: staandehouding, Dublinclaimant, redelijk vermoeden illegaal verblijf Wetsartikelen: art. 50 van de Vw Samenvatting: De staandehouding is op grond van artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) onrechtmatig geweest. Eiser had op dat moment op grond van artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw rechtmatig verblijf en dat was ook bekend bij degenen die hem staande hielden. Staandehouding op grond van artikel 50 van de Vw mag alleen bij een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Verweerder is er sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 1 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2992) van op de hoogte hoe een Dublinclaimant in bewaring kan worden gesteld. Het is de taak van verweerder om vervolgens de politie te instrueren over deze werkwijze. Van verweerder mag worden verwacht dat die werkwijze binnen enige tijd na de uitspraak van de ABRvS wel op orde is. De praktijk laat echter zien dat bij bijna alle “Dublinbewaringen” de staandehouding nog steeds op onrechtmatige wijze plaatsvindt. Bij de zich telkens maar herhalende onjuistheden bij de staandehoudingen van Dublinclaimanten komt aan het belang van verweerder een afnemend gewicht toe en omgekeerd wordt de telkens maar opnieuw optredende onrechtmatigheid van de staandehoudingen hem zwaarder aangerekend. Verweerder mag er niet van uitgaan dat de belangenafweging die hier aan de orde is steeds in zijn voordeel uitpakt. Op een gegeven moment moet de uitvoering gewoonweg deugen. In ieder geval bij staandehoudingen een jaar na de uitspraak van de ABRvS van 1 november 2016 moet dat het geval zijn. Verweerder moet dan rekening houden met een voor hem merkbaar strengere beoordeling bij de afweging van de belangen. In de nu ter beoordeling staande situatie van eiser pakt de belangenafweging nog juist in het voordeel van verweerder uit.
De uitspraak op rechtspraak.nl