Rb. Den Haag 22 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:7668
Bij besluit van 4 juni 2018 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond. In datzelfde besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze meeromvattende beschikking. Verder heeft eiser verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank stelt vast dat de Nederlandse wetgeving niet de door het Hof in het arrest Gnandi verlangde waarborg biedt, aangezien het beroep van eiser tegen de genoemde meeromvattende beschikking, waarin een terugkeerbesluit is vervat, volgens artikel 82, tweede lid, van de Vw niet van rechtswege schorsende werking heeft. De Nederlandse wetgeving zal alsnog in overeenstemming moeten worden gebracht met deze uitspraak van het Hof. De rechtbank overweegt verder dat als de Nederlandse wetgeving, conform het arrest Gnandi, zou waarborgen dat alle rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit dat is vervat in een meeromvattende asielbeschikking worden geschorst in afwachting van de uitkomst van het beroep, dat volgens rechtsoverweging 62 van het arrest Gnandi met zich zou brengen dat de vreemdeling niet op grond van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn in bewaring mag worden gesteld met het oog op zijn verwijdering. Gelet op het voorgaande zou eiser volgens het arrest Gnandi dus ook niet in bewaring mogen worden gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw ter fine van verwijdering. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet zo zijn dat eiser toch in bewaring mag worden gehouden in afwachting van het in overeenstemming brengen van de Nederlandse wetgeving met deze uitspraak van het Hof. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.
De uitspraak op rechtspraak.nl