Rb. Den Haag 12 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:7185

Maatregel van bewaring, onrechtmatige grondslag gezien rechtmatig verblijf. De rechtbank is van oordeel dat uit de (aanvullende) conclusie van de Advocaat-Generaal bij het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Gnandi tegen België, die in lijn is met het arrest Arslan, moet worden afgeleid dat eiser na het besluit van verweerder tot afwijzing van zijn asielaanvraag rechtmatig verblijf had zolang hij in de gelegenheid was om een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen om zijn uitzetting te verbieden, en nadat hij dat verzoek heeft ingediend, dat hij rechtmatig verblijf heeft in afwachting van een uitspraak van de voorzieningenrechter op dat verzoek. De rechtbank acht niet op voorhand aannemelijk dat de prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 april 2018 het Hof zullen brengen tot een andere uitleg dan het Hof heeft gegeven in het arrest Arslan. De rechtbank ziet daarom in dit geval geen aanleiding het arrest van het Hof af te wachten, en dus de behandeling van het beroep van eiser aan te houden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat dat feitelijk tot gevolg zou hebben dat eiser langer in bewaring blijft. Gelet op overwegingen van de Advocaat-Generaal in de zaak Gnandi gaat de rechtbank daarom thans ervanuit dat eiser rechtmatig verblijf heeft (gehad) in Nederland, waaruit volgt dat de aan eiser krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegde maatregel berust op een onjuiste grondslag.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken