Rb. Den Haag 8 mei 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:5552

Het beroep is gericht tegen het in bezwaar gehandhaafde besluit waarbij eisers verblijfsrecht op grond van het Unierecht is beëindigd en hij ongewenst verklaard is. Er is - anders dan eiser betoogt - geen wettelijke bepaling die verweerder verplicht om eiser voorafgaand aan de besluitvorming op bezwaar kenbaar te maken dat een (bevrijdend) stuk dat hij in bezwaar heeft ingeroepen, niet voldoet ter onderbouwing van zijn stellingen en hem vervolgens in de gelegenheid te stellen een dergelijk gebrek te herstellen. Verweerder heeft voorts voldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiser een actueel gevaar voor de openbare orde vormt. Dat eiser zich - zoals gesteld - in detentie goed gedragen heeft, is een positieve ontwikkeling, maar bezien tegen de achtergrond van de relatief recente pleegdata, de niet geringe duur van de opgelegde straf en het feit dat eiser de periode sinds het plegen van de misdrijven tot aan zijn vertrek naar Polen vrijwel uitsluitend in detentie heeft doorgebracht, heeft verweerder daaraan niet ten onrechte niet of nauwelijks gewicht toegekend. Ook de aan eiser verleende strafonderbreking is niet van doorslaggevende betekenis. In het onderhavige geval zijn voorts geen feiten en omstandigheden ingeroepen die maken dat eisers situatie anders is dan ten tijde van het bestreden besluit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de in het bestreden besluit gegeven motivering nog steeds toereikend is. Het beroep is ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken