Rb. Den Haag 14 februari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:3040
Au pair-bureau, boetebesluit wegens schending informatieplicht en zorgplicht, bewijs Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiseres (het au pair-bureau) zich op adequate wijze van het welzijn en welbevinden van de au pair heeft vergewist en heeft gecontroleerd of de au pair en het gastgezin zich aan de verplichtingen hielden. Eiseres heeft het gastgezin niet op zorgvuldige wijze geworven en geselecteerd. Eiseres heeft dan ook de op haar rustende zorgplicht geschonden. Daarnaast is eiseres als erkend referent gehouden om inlichtingen te verstrekken over de vreemdeling wiens of wier referent hij is indien de samenstelling van het gastgezin wijzigt. Nu eiseres de gewijzigde gezinssamenstelling en het verblijf van de au pair in Volendam niet heeft gemeld, heeft eiseres de informatieplicht geschonden. In het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser boetes opgelegd ter hoogte van, in totaal, € 7.500,-. De rechtbank overweegt dat bij een belastend besluit, zoals het onderhavige, de bewijslast met betrekking tot de vraag of eiseres de overtredingen heeft gepleegd, op verweerder rust. De rechtbank verwijst naar de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal mr. L.A.D. Keus van 12 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1034) en de uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1818). Verweerder dient actief feiten te vergaren en in zijn onderzoek zo volledig mogelijk te zijn. Wegens het bestraffende karakter van de bestuurlijke boete worden aan het bewijs van de overtreding en aan de motivering van het boetebesluit, strenge eisen gesteld. De rechtbank is, met inachtneming van het uitgangspunt van de staatsraad advocaat-generaal, van oordeel dat het boetebesluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en genomen en evenmin op een deugdelijke motivering berust. Zo wordt in het aan dat besluit ten grondslag gelegde boeterapport gemeld dat, na kennisneming van de door eiseres opgestuurde administratie, bepaalde feiten niet of onvoldoende duidelijk zijn, bijvoorbeeld op welke wijze eiseres heeft geverifieerd dat het gastgezin bestaat uit minimaal twee personen en hoe eiseres heeft gecontroleerd of het gastgezin op het adres woonde en of de woonruimte voldeed voor de au pair. Verweerder heeft ondanks de onduidelijkheden geen aanleiding gezien om nader onderzoek te doen naar de feiten. De rechtbank volgt eiseres daarnaast in haar betoog dat verweerder in het boeterapport heeft nagelaten om het eventueel ontlastende materiaal te betrekken. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen in dit geval nader onderzoek te doen naar de feiten, bijvoorbeeld door de betrokkenen te horen. De rechtbank stelt vast dat in de fase van de bestuurlijke besluitvorming geen van de betrokkenen, de au pair, het gastgezin noch eiseres, door verweerder is gehoord. Daarbij komt dat, zoals zijdens verweerder ter zitting desgevraagd is aangegeven, het onderzoek niet is gedaan door een met handhavingstaken belaste ambtenaar of een opsporingsambtenaar en dat het boeterapport niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat ook in de bezwaarfase door verweerder onvoldoende dragend bewijs is geleverd voor de conclusie dat eiseres de op haar rustende zorg- en informatieplicht heeft geschonden, zodat aan eiseres ten onrechte een boete is opgelegd. De rechtbank stelt vast dat naar aanleiding van de informatie van de gemeente Amsterdam en de gemeente Edam-Volendam geen nader (feitelijk) onderzoek is gedaan. Verweerder heeft in de verklaring van de gastvader die eiseres in bezwaar heeft overgelegd evenmin aanleiding gezien om de gastvader te horen over eventuele discrepanties tussen zijn verklaringen en de verklaringen die de au pair heeft afgelegd. Verweerders verwijzing naar de informatie van de gemeente Edam-Volendam en de gemeente Amsterdam is onvoldoende om mede aan het bewijs voor de geconstateerde overtredingen (en daarmee aan de oplegging van een boete aan eiseres) bij te dragen. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit.
De uitspraak op rechtspraak.nl