Rb. Den Haag 21 november 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:15603

Verweerder heeft de aanvraag van eisers tot het verlenen van een mvv in het kader van nareis afgewezen omdat zij niet voldoen aan de voorwaarden. Eiser is de broer van referent en behoort daarom niet tot één van de personen die vermeld staan onder artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres (de moeder van referent) voldoet niet aan de voorwaarde genoemd in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, Vw omdat referent geen alleenstaande minderjarige vreemdeling is als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder f, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, aldus verweerder. Eisers stellen dat referent zijn asielverzoek heeft ingediend toen hij minderjarig was. Partijen zijn sinds het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 april 2018 (C-550/16:ECLI:EU:C:2018:248) beiden van mening dat niet de datum aankomst in Nederland, maar de datum indiening aanvraag bepalend is voor de minderjarigheid. Partijen verschillen nog wel van mening over de vraag in hoeverre daarbij de formele aanvraag bepalend is. De stelling van verweerder dat een eerste asielaanvraag wordt ingediend door het indienen van een formulier M35-H, in het geval van eiser op 12 september 2015, volgt de rechtbank niet. Dit standpunt vindt geen steun in de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2098. Die uitspraak betreft een herhaalde aanvraag en de vraag of voor de ingangsdatum bepalend is het moment dat de vreemdeling zich schriftelijk aanmeldt door de wens kenbaar te maken een aanvraag asiel in te willen dienen (het kennisgevingsformulier M35-O) of het moment dat hij met het daartoe bestemde formulier het asielverzoek formeel indient (M35-H). De Afdeling verwijst naar het stelsel van de Awb en oordeelt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de vreemdeling door het model M35-O in te vullen en te ondertekenen een asielaanvraag heeft ingediend en dat het systeem van de Awb er niet toe dwingt dat voor de opvolgende asielaanvraag niet het moment van invulling en ondertekening van model M35-O maar van M35-H bepalend zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat uit deze uitspraak dan ook niet valt af te leiden dat in het geval van eiser indiening van model M-35 H bepalend is. Integendeel, nu volgens de Afdeling met het kennisgevingsformulier en niet eerst met het formele indieningsformulier een aanvraag wordt geacht te zijn ingediend, valt hieruit eerder een bevestiging van het standpunt van eiser af te leiden. Daar komt bij dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 12 april 2018 (C-550/16; ECLI:EU:C:2018:248), rechtsoverweging 55 tot en met 59 blijkt dat het Hof voor de keuze of indiening van de aanvraag of besluit op de aanvraag bepalend is, mede belang heeft gehecht aan het feit dat in het laatste geval recht op gezinshereniging afhankelijk wordt gesteld van het tijdstip waarop de bevoegde nationale autoriteit formeel besluit om de vreemdeling als vluchteling te erkennen. Weliswaar heeft het Hof zich niet uitgelaten over de vraag of ook een melding als door referent gedaan onder een aanvraag valt, maar voor zover slechts een formele aanvraag bepalend zou zijn, zou dit eveneens betekenen dat een vreemdeling afhankelijk is van de autoriteiten voor het indienen daarvan en het effectueren van de rechten daaruit. Daar komt bij dat de Afdeling in een eerdere uitspraak van 4 oktober 2011 (201102753/1/V3, ECLI:NL:RVS:2011:BT7118) heeft geoordeeld dat een door een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen als een asielverzoek in de zin van (o.a.) de Procedurerichtlijn moet worden aangemerkt. Dit betrof weliswaar de oude Procedurerichtlijn, maar de door verweerder aangehaalde bepaling van artikel 6, derde lid, waaruit volgt dat de lidstaten bevoegd zijn de wijze van indiening voor te schrijven, stond destijds ook al in de oude Procedurerichtlijn in artikel 6, eerste lid. De rechtbank is van oordeel dat uit een overgelegde “Loopbrief ter Apel” waar onder staat: “Soort aanvraag: Eerste aanvraag” en een zogenoemde Afsprakenkaart “eerste aanvraag” volgt dat referent op 7 september 2015 de wens kenbaar heeft gemaakt een asielaanvraag in te willen dienen. Op die datum was referent minderjarig. Verweerder is ten onrechte niet van die datum uitgegaan. Eisers stellen voorts dat sprake is van verboden onderscheid in de zin van artikel 14 EVRM met betrekking tot de uitsluiting van eiser als de zoon van eiseres om gezamenlijk met haar gezinshereniging met referent te krijgen. De rechtbank is van oordeel dat eisers gemotiveerd hebben aangegeven waarom volgens hen sprake is van “a relevantly similar situation”. Verweerder heeft daarmee onvoldoende gemotiveerd gereageerd op eisers beroep op artikel 14 EVRM. Het beroep is gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken