Rb. Den Haag 31 augustus 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:9893

Uitlevering van een persoon met de Poolse nationaliteit naar Oekraïne ter fine van strafvervolging (uitspraak + advies). De rechtbank schetst de bevoegdheidsverdeling tussen enerzijds de uitleveringsrechter en anderzijds de Minister van Veiligheid en Justitie. Voorts verwijst de rechtbank naar het toetsingskader en de bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot een beroep op schending van artikel 3 en/of artikel 6 van het EVRM. De rechtbank verklaart de uitlevering toelaatbaar. In het advies wordt aan de Minister geadviseerd om in bij de beslissing of de uitlevering ook daadwerkelijk kan worden toegestaan, rekening te houden met de slechte behandelingen en detentieomstandigheden in Oekraïne, waarvan in diverse rapportages melding wordt gemaakt. Ten tweede wordt de Minister geattendeerd op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaruit volgt dat Polen in de gelegenheid moet worden gesteld om de overlevering te vragen ter zake de feiten waarvoor Oekraïne de uitlevering heeft verzocht. Tot slot informeert de rechtbank de Minister over een tweetal beslissingen van de rechtbank Amsterdam, waarbij de overlevering van de opgeëiste persoon naar Polen is toegestaan, ter zake andere feiten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken