Rb. Den Haag 13 juli 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:8484

[Koeweit; veilig derde land; art. 3.106a lid 1 Vb 2000; UNHCR] Samenvatting: Is Koeweit een veilig derde land in de zin van artikel 3.106a, eerste lid, Vb 2000? Uit de bewoordingen van dit artikel volgt dat een land uitsluitend als veilig derde land kan worden aangemerkt als een persoon in dat land overeenkomstig alle in deze bepaling opgenomen beginselen zal worden behandeld. Dit leidt de rechtbank af uit het woord ‘beginselen’ in de aanhef van dit artikellid en de vermelding van het nevenschikkend voegwoord ‘en’ in onderdeel d van artikel 3.106a, eerste lid Vb 2000. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom is voldaan aan het wettelijke vereiste van artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e, Vb 2000. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder niet dat eiser de mogelijkheid heeft om een vluchtelingenstatus te verzoeken, omdat hij zich in Koeweit voor bescherming kan wenden tot de UNHCR en de autoriteiten van Koeweit de uitkomst van deze beoordeling zullen respecteren. Op grond van artikel 10, tweede lid, van Richtlijn 2013/32 dienen lidstaten als hoofdregel te onderzoeken of een persoon die om internationale bescherming verzoekt als vluchteling kan worden aangemerkt en, zo niet, of hij voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt. Lidstaten kunnen van deze verplichting in sommige gevallen afwijken, bijvoorbeeld indien het verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard omdat de vreemdeling afkomstig is uit een veilig derde land (artikel 33 van Richtlijn 2013/32). In punt 43 van de preambule van Richtlijn 2013/32 staat vermeld dat lidstaten alle verzoeken moeten onderzoeken op de inhoud, behoudens andere bepalingen in deze Richtlijn, met name indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een ander land het onderzoek zal doen. Richtlijn 2013/32 maakt hiermee een uitzondering op de hoofdregel dat de lidstaat het verzoek op inhoud dient te onderzoeken. Een extensieve interpretatie en toepassing van het begrip veilig derde land ligt daarom niet in de rede (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:627, rechtsoverweging 10.2, in samenhang gelezen met punt 7.11 van de conclusie van staatsraad advocaat-generaal mr. L.A.D. Keus van 12 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1882, in de zaak die heeft geleid tot die uitspraak). Verweerders interpretatie van artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e, Vb 2000 komt er op neer dat ook in de situatie dat een ngo zoals UNHCR in een derde land zich bezighoudt met statusdeterminatie is voldaan aan de voorwaarde uit Richtlijn 2013/32 dat een ‘ander land’ onderzoekt of bescherming moet worden geboden. Een dergelijke extensieve interpretatie verdraagt zich niet met Richtlijn 2013/32. Uit de bewoordingen in de preambule volgt juist dat het de bedoeling is geweest van de uniewetgever dat de autoriteiten van dit derde land dit onderzoek moeten verrichten. Daarbij komt dat uit de door verweerder ingeroepen stukken onvoldoende blijkt wat de reikwijdte is van de door Koeweit geboden bescherming na statusdeterminatie door de UNHCR. Dat de UNHCR in Koeweit is belast met statusdeterminatie betekent niet zonder meer dat de Koeweitse autoriteiten, aan degenen die door het UNHCR als vluchteling zijn aangemerkt, bescherming overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag zullen bieden. Daarnaast heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd wat onder ‘bescherming overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag’ dient te worden verstaan. Dat deze in artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e, Vb 2000 bedoelde bescherming niet verder gaat dan de bescherming tegen indirect refoulement, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, ligt niet voor de hand nu daarmee dit onderdeel van de bepaling geen andere betekenis zou hebben dan artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder c en d, Vb 2000.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken