Rb. Den Haag 26 juni 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:7335

Internationale kinderontvoering. De rechtbank overweegt dat de vraag naar de tussen de ouders geldende gezagsverhouding naar Australisch recht dient te worden beoordeeld, nu de kinderen onmiddellijk voor de overbrenging hun gewone verblijfplaats in Australië hadden. Nu de ouders naar Australisch recht gezamenlijk belast zijn met het gezag over de kinderen en vaststaat dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging van de kinderen naar (en vasthouding in) Nederland, is er sprake van ongeoorloofde overbrenging van de kinderen naar Nederland. Het beroep van de moeder op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag slaagt niet. De rechtbank gaat ook voorbij aan het beroep van de moeder op artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK. De rechtbank gelast de terugkeer van de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat het Verdrag niet uitsluit dat in een specifiek geval teruggeleiding naar een bepaalde regio van een Verdragsluitende Staat kan worden gelast indien deze regio valt onder de jurisdictie van deze Staat. De rechtbank ziet in de specifieke omstandigheden van dit geval aanleiding om de teruggeleiding naar Tasmanië te gelasten, gelet op het feit dat niet alleen Australië qua oppervlakte een zeer omvangrijk land is, maar ook de afstand tussen het Australische vasteland en Tasmanië groot is en de kinderen alleen in Tasmanië hebben gewoond sinds de emigratie in 2015.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken