Rb. Den Haag 9 maart 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:7167
Artikel 6.5a, vierde lid, onder d, van het Vb 2000. Uit de Franse, Duitse, Engelse en Spaanse tekst van overweging 14 van de considerans van de Terugkeerrichtlijn leidt de rechtbank af dat “de betrokken onderdaan die zich op het grondgebied van een lidstaat heeft begeven, terwijl een inreisverbod van kracht was” duidt op de onderdaan van een derde land die een lidstaat vanuit een ander land binnenkomt, terwijl een inreisverbod van kracht was. Deze uitleg past naar het oordeel van de rechtbank ook bij de aanbevelingen van de Europese Commissie in het Handboek Terugkeer. In onderhavige situatie staat vast dat eiser Nederland sinds de oplegging van het inreisverbod niet heeft verlaten. Dit betekent dat eiser Nederland niet vanuit een ander land is binnngekomen, terwijl een inreisverbod van kracht was. Van de situatie als bedoeld in artikel 6.5a, vierde lid, onder d, van het Vb 2000 is dan ook geen sprake en verweerder heeft dit artikel dus niet ten grondslag mogen leggen aan het bestreden besluit. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl