Rb. Den Haag 6 juni 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:6351

artikel 3.146 van de Wet IB 2001. De rechtbank is gelet op 3.146 van de Wet IB 2001 van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de ziektewetuitkering geacht wordt te zijn genoten op het tijdstip waarop zij is ontvangen. Gelet op het feit dat eiser deze uitkering in 2015 heeft ontvangen, is de uitkering terecht in 2015 in de heffing van de inkomstenbelasting betrokken. Vaststaat eveneens dat eiser tijdig een rechtsmiddel tegen de beslissing op terugbetaling van de uitkering heeft aangewend, zodat de terugvordering in 2015 nog niet definitief vaststaat. Nu eiser niet laat staan binnen een redelijke termijn jegens het UWV blijk heeft gegeven dat hij de ontvangen uitkering van het UWV als onterecht aanmerkt en niet wil behouden, kan geen beroep worden gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 21 december 1988, BNB 1989/120. Terugbetaling van eerder belast inkomen kan als negatief inkomen in aanmerking worden genomen in het jaar van terugbetaling. Eiser heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit is af te leiden dat de ontvangen uitkering in 2015 noch in een later jaar daadwerkelijk is terugbetaald aan het UWV. Gelet hierop is de aanslag IB/PVV voor het jaar 2015 terecht opgelegd aan eiser. Het beroep is ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen