Rb. Den Haag 11 april 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:4033
Persoon met een handicap, kwetsbaar persoon, artikel 21 Opvangrichtlijn, Popov-arrest, Tarakhel-arrest, Italië, Dublinoverdracht, geen expliciete toezegging bij overdracht, voldoende concrete garanties, adequate opvangvoorziening, passend gelet op bijzondere kwetsbaarheid, slechts mededelen medische toestand bij overdracht. Het rechteronderbeen van eiser is geamputeerd. Naar het oordeel van de rechtbank dient eiser om die reden te worden beschouwd als kwetsbaar persoon in de zin van artikel 21 van de Opvangrichtlijn en de arresten Popov en Tarakhel. Die bepaling maakt voor de vraag of een persoon kwetsbaar is immers geen onderscheid naar aard of ernst van de handicap. Hieruit volgt dat, indien eiser na overdracht aan Italië terecht zou komen in een vergelijkbare situatie, zoals beschreven in het Tarakhel arrest, te weten in een overvolle accommodatie met slechte hygiëne en niet passend voor zijn bijzondere opvangbehoefte, zijn overdracht aan Italië in strijd zou kunnen komen met artikel 3 EVRM. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder voor eiser, omdat hij een kwetsbaar persoon is, garanties aan de Italiaanse autoriteiten moet vragen overeenkomstig het Tarakhel-arrest, om zich er zodoende van te vergewissen dat eiser na overdracht aan Italië in een voor hem geschikte opvangvoorziening terecht zal komen, zodat hij niet worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Verweerder dient zich te vergewissen of de daartoe speciaal ingerichte SPRAR-locaties voor kwetsbare asielzoekers in Italië, die vooral specifiek zijn ingericht als gezinslocaties, ook voldoende passend is te achten voor de specifieke opvangbehoefte van een persoon met de handicap van eiser. De gemachtigde van verweerder heeft desgevraagd te kennen gegeven dat individuele garanties voor extra zorg niet nodig zijn en dat voorafgaand aan de feitelijke overdracht aan Italië nog een toets plaatsvindt waarbij aan de Italiaanse autoriteiten de medische toestand van eiser wordt medegedeeld. Hiermee heeft de gemachtigde van verweerder niet expliciet aan eiser de toezegging gedaan dat hij niet aan Italië zal worden overgedragen, indien verweerder niet voorafgaande aan de feitelijke overdracht een voldoende concrete garantie van de Italiaanse autoriteiten heeft ontvangen dat voor hem als persoon met een handicap na overdracht aan Italië zal worden geplaatst in een adequate opvangvoorziening die gelet op zijn bijzondere kwetsbaarheid passend is. Nu van geïndividualiseerde garanties voor eiser noch van voldoende concrete algemene garanties, zoals in de brief van de Italiaanse autoriteiten van 8 juni 2015 sprake is, heeft verweerder zich niet op het standpunt kunnen stellen dat eiser na overdracht aan Italië opvang zal krijgen die hem vrijwaart van een situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. De omstandigheid dat nadere invulling zal worden gegeven wanneer de feitelijke overdracht is aangekondigd betekent niet dat verweerder louter onder verwijzing daarnaar reeds in het besluit het standpunt heeft kunnen innemen dat van een risico op schending van artikel 3 EVRM bij overdracht geen sprake zal zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de Italiaanse autoriteiten bij brief van 8 juni 2015 slechts nader hebben toegelicht onder welke omstandigheden en op welke locaties zij gezinnen met minderjarige kinderen zullen opvangen en heeft verweerder zich slechts ervan vergewist dat de opvang van deze specifieke groep van bijzondere kwetsbare asielzoekers voldoet aan de eisen die op grond van het arrest Tarakhel daaraan mogen worden gesteld. Onder deze omstandigheden, waarin verweerder eiser zonder dergelijke garanties voor een gehandicapte persoon zal overdragen aan Italië, valt niet uit te sluiten dat zijn overdracht strijd zal opleveren met artikel 3 EVRM.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Den Haag 7 maart 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:2320
- ABRvS 16 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:73
- ABRvS 10 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2278
- EHRM 28 juni 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0628DEC001563616
- EHRM 17 mei 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0517DEC000586813
- EHRM 3 november 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1103DEC002145914
- Rb. Den Haag 13 oktober 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:12424
- ABRvS 9 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW5293
- EHRM 19 januari 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0119JUD003947207
- EHRM 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609
- EHRM 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2011:865