Rb. Den Haag 9 maart 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:3400
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat met de exploitatie van het schip het behalen van winst werd beoogd en redelijkerwijs kon worden verwacht. De exploitatie van het schip kan daarom niet op zichzelf als een bedrijfsmatige activiteit in de hierboven bedoelde zin worden aangemerkt. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de exploitatie van het schip in de periode tot en met eind 2016 behoorde tot de ondernemingsactiviteiten van S BV. Deze onderneming houdt zich bezig met de handel in en de verhuur van stoomketels. De exploitatie van een met stoom aangedreven schip behoort hier niet toe. Dat de ketel van het schip wordt gebruikt voor het testen en ontwikkelen van nieuwe brandstoffen, het schip wordt ingezet bij het reinigen van schepen en bij het repareren van defecte stoomketels en als zodanig een verlengstuk vormt van de onderneming, heeft hij onvoldoende onderbouwd en als dit al in de toekomst tot bruikbare resultaten zal leiden, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat dit tot voldoende opbrengsten kan leiden en onderdeel uit zou maken van de bestaande onderneming. De rechtbank oordeelt daarom dat het schip geen onderdeel uitmaakt van ondernemingsvermogen en daarom de voor de bouw van het schip bestemde liquide middelen op overlijdensdatum niet onder de Bor kunnen vallen. Beroep ongegrond
De uitspraak op rechtspraak.nl