Rb. Den Haag 13 maart 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:2318

Het voornemen is niet aan eiser zelf toegezonden of in persoon uitgereikt. In plaats daarvan heeft verweerder het voornemen aan de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) toegezonden, er op vertrouwende dat de RvR een advocaat zou toevoegen en dat deze ook als bepaaldelijk gevolmachtigd advocaat zou optreden. Of een advocaat als bepaaldelijk gevolmachtigd kan worden aangemerkt wordt echter niet bepaald door de RvR. De RvR draagt weliswaar zorg voor de verdeling van zaken en de financiering van de rechtsbijstand door het verstrekken van de toevoeging, maar de vraag of een advocaat bepaaldelijk gevolmachtigd is wordt uitsluitend bepaald door de intentie van de vreemdeling en de advocaat. De RvR is geen partij in de relatie advocaat-cliënt en kan die dus ook niet tot stand brengen. In dit geval was eisers gemachtigde ten tijde van het uitbrengen van het voornemen nog niet bepaaldelijk gevolmachtigd en kon zij daarom formeel niet als gemachtigde worden aangemerkt. Het voornemen is aldus niet op de juiste wijze kenbaar gemaakt. Dit dient voor rekening en risico van verweerder te komen. De rechtbank overweegt ten overvloede dat indien verweerder een bepaalde procedure voorstaat in Dublinzaken, het op zijn weg ligt om het Vreemdelingenbesluit 2000 of de Vreemdelingencirculaire 2000 te (doen) wijzigen. Het structureel afwijken van de vastgelegde procedure door met de RvR mondelinge afspraken te maken is hiertoe niet geëigend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen