Rb. Den Haag 24 oktober 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:12345
Vaststaat dat de advocaat op het moment van het instellen van beroep nooit contact heeft gehad met de vreemdeling en dat de vreemdeling hem dus ook niet heeft gemachtigd om namens hem beroep in te stellen bij de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat artikel 24, vierde lid, en artikel 33, tweede lid, van de Wrb niet als grondslag kunnen dienen voor het totstandbrengen van een overeenkomst van opdracht tussen een advocaat en zijn cliënt. Artikel 24, vierde lid, van de Wrb is niet bedoeld voor de situatie, zoals in deze zaak, waarin een overeenkomst tussen de rechtshulpverlener en de rechtzoekende op het moment van het instellen van het beroep nog niet tot stand is gekomen, doordat zij nooit contact met elkaar hebben gehad. De advocaat was dus niet gemachtigd om namens de vreemdeling beroep in te stellen bij de rechtbank. Dat de vreemdeling de advocaat nadien alsnog heeft gemachtigd om voor hem als gemachtigde op te treden, maakt dat niet anders. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank wijst overigens op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van vandaag in de zaak NL17.10653, waarin de rechtbank de gronden van beroep die de advocaat nadien wel namens de vreemdeling heeft ingediend, heeft aangemerkt als een door de vreemdeling ingesteld beroep en waarop de rechtbank inhoudelijk heeft beslist.
De uitspraak op rechtspraak.nl