Rb. Den Haag 22 december 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:15521

Internationale kinderontvoering. Bevel tot teruggeleiding minderjarige vanuit India naar Nederland. De rechtbank heeft geoordeeld dat, ondanks dat India niet is aangesloten bij HKOV, het verdrag er niet aan in de weg staat dat de Nederlandse rechter kennis neemt van een verzoek tot teruggeleiding, indien het doel (zo snel mogelijk herstel van de aan de overbrenging of vasthouding voorafgaande situatie te bewerkstelligen) niet kan worden bereikt door het voren van een snelle gerechtelijke procedure in een niet-verdragsluitende staat. Wel is noodzakelijk dat in dit soort situaties, waarin de rechtbank afwijkt van het uitgangspunt dat de rechter van de staat waar het kind zicht bevindt bevoegd is van het verzoek tot teruggeleiding kennis te nemen, de zaak voldoende is verbonden met de rechtssfeer van Nederland om rechtsmacht aan te kunnen nemen. Rechtsmacht kan niet worden ontleend aan Brussel IIbis en HKBV 1996. Ook artikel 5 Rv mist toepassing. Rechtsmacht wordt aangenomen op grond van artikel 3 aanhef en onder a Rv, nu moeder haar gewone verblijfplaats heeft in Nederland. De rechtbank concludeert dat in India geen met een verdragsprocedure vergelijkbare en snelle procedure tot teruggeleiding mogelijk is. De rechtbank oordeelt vervolgens dat er sprake is van internationale kinderontvoering. Niet gebleken is dat er sprake is van een van de in artikel 13 HKOV genoemde weigeringsgronden. De vader heeft hierop ook geen beroep gedaan. De rechtbank gelast de onmiddellijke teruggeleiding van de minderjarige naar Nederland.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken