Rb. Den Haag 30 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:14187
Prejudiciële verwijzing Artikelen 8 en 32, derde lid, Verordening (EG) nr. 810/2009 (Visumcode); artikel 47 Handvest van de EU; Bilaterale regeling van 1 oktober 2014 (note verbale) Samenvatting: De minister van Buitenlandse zaken heeft zich onbevoegd verklaard om te beslissen op de bezwaren van eisers tegen de afwijzing van hun visumaanvragen respectievelijk voor Nederland door de Zwitserse ambassade te Colombo, Sri Lanka. Eisers wonen in Sri Lanka en hebben de Sri Lankaanse nationaliteit. Zij hebben een Schengenvisum aangevraagd voor familiebezoek aan hun (schoon)zus en haar zoon in Nederland. Eisers voeren in beroep aan dat Nederland hun bezwaarschriften respectievelijk hun visumaanvragen in behandeling moet nemen en dat Zwitserland slechts heeft opgetreden als vertegenwoordiger van Nederland. Volgens eisers zijn zij op grond van het Unierecht gerechtigd om hun visumaanvragen in te dienen in het land van hun hoofdbestemming. Eisers stellen dat het volledig uit handen geven van visumprocedures aan Zwitserland in strijd is met de effectieve rechtsgang als bedoeld in artikel 47 van het Handvest. De rechtbank ziet aanleiding het Hof van Justitie te verzoeken bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de (centrale) vraag of de uitleg van artikel 8, vierde lid, en artikel 32, tweede lid, van de Visumcode, waarbij de visumaanvragers het beroep tegen de afwijzing van hun aanvragen uitsluitend bij een bestuurlijke of rechterlijke instantie van de vertegenwoordigende lidstaat kan instellen en niet in de vertegenwoordigde lidstaat waarvoor het visum is aangevraagd, in overeenstemming met het recht op een effectieve rechtsbescherming als bedoeld in artikel 47 van het Handvest.
De uitspraak op rechtspraak.nl