Rb. Den Haag 2 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1762

Visumaanvraag, bevoegdheid, machtiging tot visumvertegenwoordiging, Visumcode, algemene beginselen Unierecht, effectief rechtsmiddel. Uit een bilaterale overeenkomst tussen Nederland en Frankrijk blijkt dat de Nederlandse autoriteiten het Franse consulaat te Lagos hebben gemachtigd om beslissingen te nemen op visumaanvragen in Nigeria. De machtiging tot visumvertegenwoordiging is neergelegd in de “Note Verbale” van 10 maart 2010, 29 december 2010 en 5 januari 2011, waarin ook de bevoegdheidsverdeling is opgenomen, inclusief de toepasselijke materiële en processuele regelgeving. De rechtbank stelt voorop dat artikel 8, vierde lid, sub d, van de Visumcode de mogelijkheid biedt om de bevoegdheid tot het beslissen op visumaanvragen volledig over te dragen aan een andere lidstaat. In de hiervoor bedoelde bilaterale overeenkomst tussen Nederland en Frankrijk is gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Het Franse consulaat is in die bilaterale overeenkomst immers gemachtigd om, na onderzoek van de aanvraag, de visumaanvraag zelf af te wijzen. Dat blijkt uit de “Note Verbale” van 10 maart 2010, 29 december 2010 en 5 januari 2011. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de bevoegdheid om op in Nigeria ingediende visumaanvragen te beslissen aan het Franse consulaat is overgedragen. Op grond van artikel 32, derde lid, van de Visumcode brengt dit met zich dat de Franse autoriteiten bevoegd zijn om te beslissen op het bezwaar van eiser. Verweerder heeft zich daarom terecht onbevoegd verklaard om op het bezwaar van eiser te beslissen. Ten aanzien van het door eiser aangevoerde over het aanwenden van rechtsmiddelen in Frankrijk ter zake van de beslissing op de visumaanvraag en het bezwaar tegen de afwijzing daarvan, alsmede dat hij aldaar geen effectief rechtsmiddel heeft gehad, is de rechtbank van oordeel dat uit de voorgaande overwegingen blijkt dat eiser de afwijzing van zijn visumaanvraag niet in Nederland kan aanvechten. Hij kan alleen rechtsmiddelen aanwenden in Frankrijk. Dat brengt met zich dat hij zijn kritiek op de rechtsbescherming desgewenst in de procedure in Frankrijk aan de orde dient te stellen, dan wel had dienen te stellen. De Nederlandse rechter is niet bevoegd hierover te oordelen. Er is geen sprake van tot prejudiciële verwijzing nopende twijfel.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen