Rb. Den Haag 22 augustus 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:11863
Verweerder heeft de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken en een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd, omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM faalt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat intrekking van eisers verblijfsvergunning, na 35 jaar verblijf in Nederland, niet in strijd is met het in artikel 8 van het EVRM beschermde recht op privéleven. De banden die eiser in Nederland is aangegaan zijn niet zo bijzonder dat het intrekken van zijn verblijfsvergunning en het opleggen van een inreisverbod daarom een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn gezins- en privéleven opleveren. Voor zover eiser heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1525), overweegt de rechtbank dat de Afdeling in deze uitspraak, naast een verblijf van de betrokken vreemdeling in Nederland van 32 jaar, zwaar gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat sprake was van een afname in de aard en ernst van de gepleegde strafbare feiten en dat daarvan in het geval van eiser geen sprake is. Hetzelfde geldt voor de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 juli 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:9200) waarbij het ging om een vreemdeling die 31 jaar in Nederland had verbleven.
De uitspraak op rechtspraak.nl