Rb. Den Haag 1 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:3768
Betreft beoordeling geloofwaardigheid asielrelaas van een Somalische vrouw, behorend tot de minderheidsclan Reer Hamar, subclan Hamoudi. Verweerder acht drie van de zes relevante elementen van het relaas ongeloofwaardig omdat eiseres wisselend, summier, tegenstrijdig of bevreemdingwekkende verklaringen heeft afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 16 van de Procedurerichtlijn en artikel 3.113, tweede lid, Vb. Immers verweerder heeft eiseres eerst middels het uitgebrachte voornemen geconfronteerd met lacunes in haar verklaringen en daaraan een oordeel over de geloofwaardigheid verbonden, zonder dat haar overeenkomstig artikel 3.113, tweede lid, Vb de gelegenheid is geboden om tijdens het nader gehoor in persoon uitleg te geven over opgemerkte lacunes. Kenmerkend voor het voornemen is immers dat dit het onderdeel is van de asielprocedure waarin de beoordeling van het relaas plaatsvindt, terwijl in de fase waarin de vreemdeling gehoord wordt die beoordeling nog niet aan de orde is en het accent nog volledig ligt op het vergaren van kennis over de “feiten”. Het nader gehoor behoort tot het onderdeel van het feitenonderzoek, waarin verweerder de vreemdeling in de gelegenheid stelt aan zijn stelplicht en bewijslast te voldoen en aldus het verzoek om internationale bescherming te staven. Het had op de weg van verweerder gelegen om eiseres vóór het uitbrengen van het voornemen aanvullend te horen en haar aldus in de gelegenheid te geven uitleg te geven over de door verweerder geconstateerde gebreken in haar verklaringen. Nu verweerder dit heeft nagelaten is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 Awb. De omstandigheid dat in de zienswijze een reactie is gegeven op het voornemen, geeft de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven, nu het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd ten aanzien van de ongeloofwaardig geachte elementen en vanwege de specifieke functie die het in persoon horen van de vreemdeling in de asielprocedure heeft. Voorts is de rechtbank van oordeel dat blijkens het voornemen en het bestreden besluit de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres uitsluitend is gebaseerd op een toetsing aan de zogenoemde interne geloofwaardigheidsindicatoren zoals vermeld in paragraaf 3.2.1.1 van de Werkinstructie 2014/10 (WI). Een beoordeling of de door eiseres vermelde gebeurtenissen passen in het beeld dat naar voren komt uit algemene, objectieve informatie over de positie van de Reer Hamar destijds in Somalië, heeft niet kenbaar plaatsgevonden. Het bestreden besluit geeft er aldus geen blijk van dat een integrale weging als bedoeld in paragraaf 3.2.2 van de WI heeft plaatsgevonden. Daarnaast volgt de rechtbank de uitspraak van zittingsplaats Den Bosch van 10 februari 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:1514) en oordeelt zij dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, nu er geen rechtvaardiging is voor het verschil in behandeling van leden van de minderheidsclan Reer Hamar, die op grond van WBV 2012/24 in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, en onder b, Vw en leden van dezelfde clan die op grond van WBV 2015/7 niet meer in aanmerking komen voor zo’n vergunning.
De uitspraak op rechtspraak.nl