Rb. Den Haag 17 maart 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:3108
Het betreft een verzoek gedaan namens de curator voor de onder curatele gestelde moeder een omgangsregeling vast te stellen tussen de moeder en de minderjarige die haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. Allereerst wordt de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de curator aan de orde gesteld. De rechtbank overweegt dat de vraag van invulling van het recht op omgang van een ouder met zijn of haar kind bij uitstek een zaak is die de curandus persoonlijk betreft waarvoor deze uitzondering op de procesbekwaamheid moet gelden. Voorts wordt overwogen dat de moeder in deze zaak tot een redelijke waardering van haar belangen in staat is. De moeder wordt derhalve aangemerkt als verzoekster met zelfstandige procesbevoegdheid. Vervolgens wordt een voorlopige omgangsregeling onder begeleiding vastgesteld. De rechtbank overweegt daartoe dat het in het belang van de minderjarige is om op een veilige manier omgang met haar moeder te hebben en dat de vader en de gezinsvoogd in dat belang dienen te handelen. Daarbij dienen zij in aanmerking te nemen dat de moeder, mede gelet op de curatele, niet altijd in staat is adequaat te handelen in het kander van de omgang.
De uitspraak op rechtspraak.nl