Rb. Den Haag 26 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:2273
voren gebracht. Omdat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan na de vorige procedure, komt de bestuursrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende inzicht heeft verschaft in hoe de werkinstructie 2015/9 tot stand is gekomen. Niet blijkt dat de relevantie van de genoemde thema’s voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas en de wijze waarop verweerder deze elementen weegt, zijn gebaseerd op (wetenschappelijke) inzichten, algemeen bekende informatie of op resultaten van overleg met het COC of andere belangenorganisaties. Verder zijn de thema’s algemeen geformuleerd en is nog altijd niet gebleken van een onderzoekssystematiek waarbij duidelijk wordt waar voor verweerder het zwaartepunt ligt en hoe de door een vreemdeling gegeven verklaringen worden gewogen. De situatie waarin het voor de bestuursrechter niet mogelijk is om effectief te toetsen of verweerder een zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd besluit heeft genomen over de geloofwaardigheid van een seksuele geaardheid als asielmotief, zoals vastgesteld door de Afdeling in de uitspraak van 8 juli 2015, doet zich nog steeds voor.
De uitspraak op rechtspraak.nl