Rb. Den Haag 22 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:16792
Beroep tegen een besluit tot afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde homoseksuele geaardheid. Hoewel uit de Werkinstructie 2015/9 blijkt hoe verweerder de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde homoseksuele geaardheid in het algemeen pleegt te verrichten, voert eiser terecht aan dat verweerder in het bestreden besluit niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij in de concrete zaak van eiser aan de hand van de uitkomsten van zijn onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde homoseksuele gerichtheid naar aanleiding van zijn verklaringen heeft verricht. Verweerder heeft met name niet inzichtelijk gemaakt op welke vragen en antwoorden van eiser het zwaartepunt ligt en hoe hij de door eiser gegeven antwoorden heeft gewaardeerd en onderling gewogen. Anders dan verweerder stelt, blijkt uit de motivering in het bestreden besluit niet dat het zwaartepunt van zijn beoordeling heeft gelegen op de antwoorden op vragen over de bewustwording en acceptatie van eiser van zijn gestelde seksuele gerichtheid en wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend. Bij het ontbreken van een dergelijke weging in het bestreden besluit, kan de rechter niet effectief toetsen of verweerder een deugdelijk gemotiveerd besluit heeft genomen over de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde seksuele gerichtheid. Zoals verweerder ter zitting heeft bevestigd, heeft hij verondersteld dat eiser, vanwege het feit dat hij afkomstig is uit een land waarin homoseksualiteit niet wordt geaccepteerd, een interne worsteling moet hebben doorgemaakt alvorens hij zijn seksuele geaardheid voor zichzelf zou hebben geaccepteerd. Dat uitgangspunt kan echter, anders dan verweerder heeft betoogd, niet worden gebaseerd op de Werkinstructie 2015/9. Integendeel, uit de Werkinstructie blijkt juist dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid niet als uitgangspunt hanteert dat er in alle gevallen een interne worsteling moet hebben plaatsgevonden voordat de vreemdeling zijn LHBT-gerichtheid heeft geaccepteerd. Wel mag worden verwacht dat bij een vreemdeling, zoals eiser, die afkomstig is uit een land waar men LHBT-gerichtheid niet accepteert, sprake zal zijn van een proces van bewustwording. Daarbij zal de vreemdeling zich onder andere voor de vraag gesteld zien wat het betekent om anders te zijn dan de maatschappij verwacht of verlangt. De vraag of een vreemdeling zijn homoseksuele gevoelens voor zich zelf heeft geaccepteerd, moet daarom worden onderscheiden van de vraag op welke wijze de vreemdeling met zijn geaardheid is omgegaan ten opzichte van de buitenwereld en de maatschappij en het proces dat hij daarbij heeft doorgemaakt. Aan de verklaringen van eiser in dat verband heeft verweerder in zijn beoordeling ten onrechte geen gewicht toegekend, door eenzijdig te nadruk te leggen op het ontbreken van een interne worsteling ten aanzien van de zelfacceptatie van zijn homoseksuele geaardheid.
De uitspraak op rechtspraak.nl