Rb. Den Haag 29 januari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1761

Verweerder heeft zich met betrekking tot de brief van de behandelaars op het standpunt gesteld dat deze niet kan afdoen aan de geloofwaardigheidsbeoordeling in het bestreden besluit. Gezien de deskundigheid van de behandelaars op het gebied van de analyse van persoonlijkheden en de professionele integriteit (lees: onafhankelijkheid en objectiviteit) die van hen verlangd mag worden, is de rechtbank echter van oordeel dat zonder nadere motivering de verklaring van de behandelaars niet terzijde kan worden geschoven. Dat wil niet zeggen dat daarmee de gestelde lesbische geaardheid van eiseres alsnog geloofwaardig moet worden geacht, maar wel dat de brief van de behandelaars behoort te worden betrokken in de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Door dit in het bestreden besluit en ter zitting na te laten, lijdt het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank aan een motiveringsgebrek. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in de voorliggende zaak voorts onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij de geloofwaardigheidsbeoordeling naar aanleiding van de verklaringen van eiseres heeft verricht. Verweerder heeft ter zitting wel gesteld dat hij de werkinstructie heeft toegepast, hoewel dit uit het gehoor, het voornemen en het bestreden besluit niet expliciet blijkt, maar die enkele stelling is niet voldoende om het door de Afdeling in de uitspraak van 8 juli 2015 bedoelde inzicht te verschaffen. Uit de motivering van het bestreden besluit, die in wezen bestaat uit een opsomming van de redenen waarom verweerder de gestelde geaardheid ongeloofwaardig acht, kan ook niet goed worden afgeleid hoe verweerder nu de antwoorden op de gestelde vragen onderling heeft gewogen. Verweerder heeft in het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen de vaag, summier en ongeloofwaardig geachte verklaringen geselecteerd en besproken. Onduidelijk gebleven is of eiseres tijdens het gehoor ook verklaringen heeft afgelegd die verweerder wel geloofwaardig acht en in het voordeel van eiseres wegen, en zo ja, waarom die verklaringen niet opwegen tegen de eerdergenoemde verklaringen van eiseres. Eiseres heeft in dit verband gewezen op haar verklaringen over haar zelfacceptatie en de positie van homoseksuelen, aspecten waarop volgens de Werkinstructie het zwaartepunt ligt. Verweerder is hierop in het bestreden besluit noch ter zitting ingegaan. Gelet hierop voldoet de motivering in het bestreden besluit niet aan de eisen zoals genoemd in voormelde Afdelingsuitspraak van 8 juli 2015. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder geen blijk heeft gegeven van een zorgvuldige voorbereiding en dat het bestreden besluit daarnaast niet deugdelijk is gemotiveerd. Verweerder heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de aanvraag van eiseres kennelijk ongegrond is omdat zij Nederland onrechtmatig is binnengekomen of haar verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en zich zonder gegronde redenen niet zo snel mogelijk bij verweerder heeft gemeld en kenbaar heeft gemaakt dat zij internationale bescherming wenst. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat bij uitspraak van zittingsplaats Haarlem van 1 februari 2013 in rechte is komen vaststaan dat eiseres in Nederland geen verblijf wordt toegestaan. Eerst op 18 november 2015 heeft eiseres kenbaar gemaakt dat zij internationale bescherming wenst. Nu hiervoor is geoordeeld dat verweerder de aanvraag niet als ongegrond heeft kunnen afwijzen, heeft verweerder de aanvraag evenmin als kennelijk ongegrond kunnen afwijzen. Zoals hiervoor ook opgemerkt volgt uit verweerders beleid in C2/7 Vc 2000 en artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, dat eerst tot de beoordeling of de aanvraag kennelijk ongegrond is, wordt overgegaan nadat de aanvraag ongegrond is. Ook indien het voorgaande anders zou zijn, heeft verweerder de aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond afgewezen. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt immers dat eiseres niet kan worden tegengeworpen dat zij haar geaardheid eerst in deze procedure naar voren heeft gebracht. Daargelaten of eiseres kan worden tegengeworpen dat zij haar verblijf na de uitspraak van zittingsplaats Haarlem van 1 februari 2013 onrechtmatig heeft verlengd, kan eiseres, gezien voormelde jurisprudentie, niet worden tegengeworpen dat zij zich zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk heeft gemeld bij verweerder met een verzoek om internationale bescherming, omdat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat eiseres haar asielmotief niet eerder naar voren heeft durven brengen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken