Rb. Den Haag 11 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:14921

Uit de uitspraak inzake Korošec volgt dat bij de beantwoording van de vraag, of het beginsel van equality of arms de rechtbank noopt tot benoeming van een onafhankelijke medische deskundige, drie factoren een rol spelen. Wat betreft de derde factor, de rol van het deskundigenbewijs in de procedure en in het bijzonder het gewicht dat de rechtbank aan dit bewijs toekent, overweegt de rechtbank dat het advies van het Bureau Medische Advisering, evenals het deskundigenadvies in de zaak Korošec, van grote invloed is op de beantwoording van de onderhavige rechtsvraag. Op verweerder rust enkel de verplichting zich ervan te vergewissen dat het door hem ingewonnen deskundigenadvies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is. Indien dat het geval is, is het advies van het BMA in beginsel doorslaggevend in verweerders besluit op de aanvraag van de vreemdeling om uitstel van vertrek. Het voorgaande leidt echter niet tot de conclusie dat het beginsel van equality of arms de rechtbank ertoe verplicht om in zaken als de onderhavige een onafhankelijke, medische deskundige te benoemen. Anders dan in de zaak Korošec kan immers niet worden geoordeeld dat eiser niet de gelegenheid heeft gehad om de adviezen van het BMA te weerspreken. De rechtbank wijst hierbij op de mogelijkheid om het advies van het BMA te betwisten met een contra-expertise. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat deze mogelijkheid feitelijk non-existent is, aangezien hem zonder verblijfsvergunning de middelen ontbreken om een contra-expertise te bekostigen. Alhoewel de rechtbank onderkent dat eisers situatie een belemmering vormt voor het indienen van een contra-expertise, leidt dit niet tot het oordeel dat eiser niet de gelegenheid heeft gehad om de adviezen van het BMA te weerspreken. Zoals ook de gemachtigde van verweerder ter zitting uitdrukkelijk heeft bevestigd, kan eiser verweerders deskundigenadvies immers ook weerspreken met stukken van zijn behandelaars, indien daaruit concrete aanknopingspunten blijken voor twijfel aan de juistheid van het deskundigenadvies. De conclusie luidt dat de uitspraak inzake Korošec de rechtbank niet noopt om in deze procedure een onafhankelijke medische deskundige te benoemen ter beslechting van het geschil. Dit laat echter onverlet dat de rechtbank ook in zaken als de onderhavige gebruik kan maken van haar bevoegdheid ex artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), om een deskundige te benoemen. In het onderhavige geval bestaat daar echter geen aanleiding toe, omdat eiser geen stukken heeft ingediend waaruit concrete aanknopingspunten blijken voor twijfel aan de juistheid van de BMA-adviezen en evenmin sprake is van de situatie dat de motivering van het advies op zich voldoende twijfel oproept om aan de conclusie te twijfelen. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken