Rb. Den Haag 17 juli 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:9595
Uit de door verweerder overgelegde stukken kan niet worden afgeleid dat het in onderhavige procedure aan de orde zijnde legesbedrag van € 861,- is gerelateerd aan de kostprijs van de behandeling van de aanvraag van eiser, zoals verweerder stelt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de door verweerder overgelegde stukken met name zien op de kostenopbouw van de leges voor verblijfsaanvragen per 1 juli 2011, derhalve voor inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid. Eiser betoogt in dit verband terecht dat met de Wet modern migratiebeleid een vereenvoudiging van procedures is beoogd, met als gevolg een lagere kostprijs, hetgeen door verweerder ter zitting is erkend. Bovendien betreft de in de door verweerder overgelegde stukken genoemde kostendekkendheid (per 1 juli 2011) van 65 % een gemiddelde van alle reguliere aanvragen. De stukken maken de opbouw van de kostprijs van de leges voor verblijfsaanvragen als die van eiser ten tijde hier van belang niet inzichtelijk. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl