Rb. Den Haag 7 augustus 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:9481
Verlenging verblijfsvergunning regulier met arbeidsmarktaantekening “arbeid toegestaan, mits twv is verleend” dan wel afwijzing aanvraag verlenging omdat geen twv is overgelegd; overgangsrecht; Wav (nieuw); artikel 3:103 Vb; vertrouwens-en rechtszekerheidsbeginsel; artikel 12 Richtlijn 2011/98/EU; gelijkheidsbeginsel; artikelen 8, 13 en 14 van het EVRM Beroepen gericht tegen de door verweerder afgegeven arbeidsmarktaantekening ‘arbeid toegestaan, mits een tewerkstellingsvergunning is verleend’, dan wel tegen besluiten van verweerder tot afwijzing van aanvragen tot verlenging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst, omdat geen geldige tewerkstellingsvergunning (twv) is overgelegd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, Wav, zoals dat artikel luidt na 1 januari 2014, volgt dat eisers niet vrij zijn op de arbeidsmarkt. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de Wav, zoals die gold tot 1 januari 2014. De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 december 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:16504), van oordeel dat niet de Wav (oud), maar de per 1 januari 2014 geldende Wav (nieuw) van toepassing is. Het beroep van eisers op Richtlijn 2011/98/EU slaagt niet, omdat deze richtlijn zich niet uitstrekt tot de termijn waarna een werknemer van een derde land vrije toegang heeft tot de arbeidsmarkt. Dat betreft de bevoegdheid van de lidstaten ten aanzien van de toegang tot de arbeidsmarkt, die de richtlijn onverlet laat. Uit de Nota van Toelichting bij artikel 3.31 Vb volgt dat de wetgever de mogelijkheid van de voorwaarde, neergelegd in het eerste lid, dat voor de te verrichten werkzaamheden een twv is afgeven, af te wijken, als bedoeld in het zesde lid, heeft bedoeld voor de situatie dat een twv niet (meer) is vereist. Verweerder heeft zich daarom op goede gronden op het standpunt gesteld dat, omdat de termijn van vijf jaar in artikel 4, tweede lid, Wav dwingend is voorgeschreven en die termijn nog niet is verstreken, artikel 3.31, zesde lid, Vb geen grond biedt om af te wijken van het twv-vereiste om redenen die verband houden met het niet voldoen aan die termijn en de wijziging van artikel 4, tweede lid, Wav per 1 januari 2014.
De uitspraak op rechtspraak.nl